Nieuws

Turkije: de dorpen en de steden


BlgR4x1CcAARaF6

De AKP is begonnen met ‘wegenwerken’ aan het Taksimplein in Istanbul, zodat het plein niet gebruikt kan worden voor traditionele protesten op 1 mei.

Opiniestuk door Peter Edel op Joop.nl van 12 april 2014

De sociaaleconomische achtergrond van de AKP-stemmers

JOOP.NL – 12 april 2014 – De lager gesitueerde groepen op en van het Turkse platteland stemmen overwegend op de regerende Gerechtigsheids- en Ontwikkelingspartij (AKP). De voorkeur van de middenklasse en de economische elite gaat doorgaans uit naar de Republikeinse Volkspartij (CHP). Omdat de AKP een rechtse partij is en de CHP gematigd links heet te zijn, komt dat tegenstrijdig over. De verklaring ligt ver terug in de Turkse geschiedenis besloten.

Ontwikkelingsvoorsprong

Turkije kan op verschillende manieren onderverdeeld worden. In etnische zin is er het onderscheid tussen etnische Turken en Koerden. Daarnaast is er de onderverdeling tussen de seculiere grote steden en het conservatief religieuze platteland – al ligt de grens daartussen door urbanisatie niet echt scherp.

In het Ottomaanse Rijk werd in termen van moslims en niet-moslims gedacht, waardoor etnische verschillen irrelevant waren. Een verschil tussen de steden en het platteland bestond daarentegen toen al.

Bestuur en handel waren veelal in handen van Armeniërs, Grieken en Joden. Mede door hun invloed ontstond in de steden een ontwikkelingsvoorsprong ten opzichte van de hoofdzakelijk agrarische provincie. Dit was de situatie toen Mustafa Kemal Atatürk in 1923 de Turkse Republiek stichtte.

De kemalisten waren verbijsterd over het contrast tussen de steden en de dorpen. In  zijn boek Yaban (vreemdeling) beschreef Yakup Kadri Karaosmanoglu in 1932 de observaties van een kemalistische soldaat die tijdens de onafhankelijksheidsoorlog in 1919 gewond raakte en verzorgd werd door dorpelingen:

“Naarmate de dagen voorbijgaan begrijp ik dat de verlichte Turk in deze wijdse en verlaten wereld die hij zijn Turkse land noemt, erg eenzaam is. Bestaat er in ieder land zo’n diepe kloof tussen de geletterde klasse en dorpelingen? Ik weet het niet, maar een kind van Istanbul en een Anatolische landwerker verschillen meer van elkaar dan een Engelsman uit Londen en een Indiër uit Punjab.”

Dorpsinstituten en volkshuizen

De kemalisten lanceerden een campagne om de bevolking te ontwikkelen. Atatürks secularisme was daar een onverbrekelijk onderdeel van. Niet om de Turken tot ongelovigen te transformeren. Evenmin wilde hij de islam veranderen. Wel streefde hij naar een scheiding tussen het geloof en het openbare leven, om te voorkomen dat de verouderde structuren van het Ottomaanse Rijk de modernisering van Turkije tegenhielden.

De grote steden, de Egeïsche kust en delen van het Zwarte Zeegebied gingen snel mee in Atatürks streven, maar verder werd op het Anatolische schiereiland vaak vastgehouden aan het Ottomaanse conservatisme. Om de bevolking daar in de modernisering te laten participeren, en om het verschil tussen de steden en de dorpen te verkleinen, werden de ‘dorpsinstituten’ opgericht. Leraren werden hier opgeleid om de 40.000 Turkse dorpen van een school te voorzien. Dat was hard nodig, want destijds hadden maar 5000 dorpen een school, waardoor analfabetisme vrijwel algemeen was. Daarnaast richtten de dorpsinstituten zich op innovatie van landbouwtechniek. De dorpen kregen ook ‘volkshuizen’, waar de Turken hun horizon in cultureel opzicht konden verbreden.

Er bestaan tal van redenen tot kritiek op het kemalisme, maar de dorpsinstituten waren erg succesvol. De Nederlandse Turkoloog Erik Jan Zürcher bevestigt dat in zijn standaardwerk Turkey, a modern history. Toch was lang niet iedereen blij met de dorpsinstituten. Conservatieve moslims waren van afschuw vervuld over het gemengde onderwijs dat er plaatsvond, waardoor zij hun dochters thuishielden. Dat er linkse boeken in de bibliotheken van de dorpsinstituten stonden kon evenmin op ieders instemming rekening. Dorpshoofden waren niet ingenomen met de komst van leraren die de dorpelingen een opleiding boden. Ontwikkeling was voor hen een bedreiging.

Nadat Turkije in 1945 een meerpartijenstelsel had gekregen, bleef de door Atatürk opgerichte CHP aanvankelijk nog aan de macht, maar de druk op de dorpsinstituten nam toe. Door grootgrondbezitters gesteunde aanhangers van Adnan Menderes’ Democratische Partij (DP) ondernamen er gewelddadige aanvallen tegen, met als argument was dat de dorpsinstituten communistische propaganda verspreidden. Aan het wezenlijke verschil tussen kemalisme en communisme werd voor het gemak voorbijgegaan. Voor conservatieve Turken staat secularisme nu eenmaal snel gelijk aan communisme. Dat is nog altijd zo.

Menderes

De CHP vreesde voor haar toekomst en trachtte de oppositie tegemoet te komen door de dorpsinstituten om te vormen tot reguliere scholen. Het was tevergeefs, want in 1950 won de DP de verkiezingen en had de CHP het nakijken. Met meer accent op religie brak Menderes deels met Atatürks secularisme. Zijn op privatisering gerichte economische beleid was strijdig met het kemalistische principe over een centraal geleide economie.

Afkomstig als hij was uit het provinciale Kocarli, lag Menderes’ hart zeker op het platteland. Dat hij uit een familie van grootgrondbezitters kwam verloochende zich evenmin. Menderes gebruikte Amerikaanse subsidies om de agrarische sector te stimuleren, wat tot grotere productiviteit leidde. Vooral agrarische ondernemers   profiteerden hiervan. De landarbeiders gingen er ook op vooruit, maar minder. Dat de massale trek naar de grote steden om economische redenen onder Menderes begon, zegt genoeg.

In 1954 zette Menderes een definitieve streep door de dorpsinstituten, waarmee een einde kwam aan de ontwikkeling van de dorpen die er vanuit ging. Buitenlandse ontwikkelingsdeskundigen betreurden dat. De volkshuizen hielden op te bestaan toen de DP beslag legde op de bezittingen van de CHP.

Hoewel deze maatregelen niet in het voordeel waren van de conservatieve dorpelingen bleven zij Menderes steunen. Toen zijn beleid tot economische chaos leidde en in de grote steden geprotesteerd werd, hielden zij zich in ieder geval afzijdig. Voor de militairen, die zich als schatbewaarders van Atatürks gedachtegoed opstelden, was de maat echter vol, met de staatsgreep van 1960 en de doodstraf voor Menderes als gevolg.

Hoewel de militairen de kemalistische waarden in ere wilden herstellen, werden de dorpsinstituten niet heropgericht. Later kwam het wel tot een opleving van de volkshuizen, al was dat toen niet meer onder auspiciën van de regering. De mentaliteit van eenheid en solidariteit die aan dorpsinstituten ten grondslag lag maakte bij de kemalisten plaats voor een neerbuigende opstelling met veel autoritaire trekken ten opzichte van de provincie. De introductie van vrije verkiezingen maakte Turkije  democratischer, maar socialer werd het er niet door.

Neoliberalisme

Door islamitisch getinte regeringen, zoals die van Turgut Özal en zijn Moederlandpartij (ANAP) werd voortgeborduurd op het door Menderes begonnen beleid, met nadruk op de ontwikkeling van de ondernemerselite in de provincie en veel minder op die van de arbeiders aldaar.

Het bleef het oude liedje van het neoliberalisme, waarin een stimulans van het bedrijsfleven tot een algemene verhoging van de levensstandaard zou leiden. De AKP zong vanaf 2002 hetzelfde liedje. Dat de AKP verder kon gaan met de liberalisering van de economie dan Menderes en Özal kwam omdat hij korte metten maakte met de seculiere overheersing van de staat.

Zonder die hindernis kon premier Erdogan een einde maken aan het verbod op de hoofddoek in openbare ruimten, wat door conservatieve Turken als een grote verdienste werd beleefd. Door de seculiere machtsfactor uit de staat te verdrijven lag daarnaast de weg vrij om veel staatsondernemingen te privatiseren.

Het zat de AKP mee. Na de 9/11 aanslagen kwam Turkije in een voordelige positie, als een van de weinige islamitische landen waar westerse investeerders in vertrouwden. De ‘moderne islam’ van de AKP zou later door de mand vallen, maar leek toen nog het redelijke alternatief. Er was een periode aangebroken waarin veel buitenlands geld naar ‘emerging economies’ als Turkije begon te vloeien. De optelsom daarvan met het programma dat Turkije al onder een eerdere regering met het IMF was overeengekomen, leidde tot een stormachtige groei van de economie.

Vooruitgang

Zoals onder Menderes en Özal gingen ondernemers er het meest op vooruit; vooral de ondernemers die goede banden hadden met overheidskringen. Dit wil niet zeggen dat de lagere gesitueerde groepen niet meeprofiteerden. De pensioenregelingen en de gezondheidszorg verbeterden (al laat de situatie in staatsziekenhuizen vaak nog veel te wensen over). Verder werd het inflatiespook gedwongen en stegen de inkomens. Geheel in lijn met de IMF-richtlijnen niet meer dan een beetje, maar het was een verschil na decennia van opeenvolgende crisissen en torenhoge inflatie.

Door de factoren die de AKP de wind in de rug gaven, was het meer onder Erdogan dan dankzij Erdogan (omgekeerd bevond de oorzaak van de economische dip van vorig jaar zich vooral in de VS). Dat de economie vaak meer bepaald wordt door internationale ontwikkelingen dan door politici, ging aan menigeen echter voorbij en Erdogan kreeg de pluim in de hoed gestoken.

Omdat de vooruitgang veelal niet meer dan marginaal was, bleef de armoede steken. Cijfers van vakbonden tonen dat aan. Bovendien bleef het verschil tussen de steden en de dorpen. De aanhoudende groei van de grote steden als gevolg van urbanisatie getuigt daarvan. Dat Erdogan niets werd aangerekend komt niet alleen omdat zijn conservatisme tot de verbeelding sprak bij de stemmers in de provincie, maar vooral ook omdat hij de economische groei aan de nationalistische emotie verbond.

In Turkije is nationalisme een verdovend middel dat een plezierige roes veroorzaakt,  zeker in combinatie met religie. Eenmaal verslaafd wil een publiek dat hier vatbaar voor is alleen maar meer en wordt aan rationele overwegingen voorbijgegaan.

Met andere woorden: door in te spelen op de nationale trots kon Erdogan een geringe verbetering als een enorme vooruitgang laten beleven door zijn aanhang. Hoop en beloften over een betere toekomst deden de rest. De beloning die de AKP bij de stembus kreeg van de Turken in en uit de provincie, wordt hiermee voor een belangrijk deel verklaard. De heldenstatus van Erdogan eveneens.

Onderwijsproblemen

De oorzaken van de achterstand in de Anatolische dorpen liggen voor een deel verankerd in het conservatief religieuze leven. Grote gezinnen zijn de norm en leiden tot een cirkel. Er moeten meer monden gevoed worden, maar tegelijkertijd zijn veel (werkende) kinderen noodzakelijk om in het levensonderhoud van het gezin te kunnen voorzien. Omdat jongeren vroeg gaan werken is de kans dat zij kunnen studeren bovendien minimaal, wat dan weer bijdraagt aan de structurele economische achterstand.

Erdogan gooit olie op dit vuur door aan te dringen op grote gezinnen. Met vergrijzing als argument, al heeft Turkije vergeleken met West-Europa een erg jonge bevolking. De premier gaat zelfs zo ver zijn landgenoten te verketteren die het bij een of twee kinderen houden.

Wanneer kinderen in de Anatolische dorpen wel de kans krijgen om door te leren raken zij geconfronteerd met de bedroevende kwaliteit van het onderwijs in Turkije. Neem de kennis van de Engelse taal op middelbare scholen. Die ligt lager dan in taalgebieden zonder het Latijnse schrift, zoals Somalië en Ethiopië. En dat terwijl het Turkse publiek wel degelijk weet hoe belangrijk het is om Engels te kunnen spreken.

Turkse universiteiten halen het West-Europese niveau niet. De universiteiten die daar het dichtst bij in de buurt komen bevinden zich in Istanbul en Ankara. Zeker, de universiteiten zijn de laatste tien jaar als paddenstoelen uit de grond gesprongen in Turkije, waardoor ook de kleinere steden er vaak een of meerdere hebben. Meer dan veredelde middelbare scholen zijn het doorgaans echter niet. Het laat zich daardoor raden dat het middelbaar onderwijs in de provincie eveneens achterblijft vergeleken met dat in de grote steden.

Onderwijswet

Toen de AKP de seculiere elementen uit de staat verwijderde, raakte de partij geconfronteerd met een gebrek aan intellectueel kader. Het was een direct gevolg van het gebrekkige onderwijs, wat geaccentueerd werd door de wortels van de partij in de provincie.

Erdogan was gedwongen zijn toevlucht te nemen tot imam Fethullah Gülen, wiens scholen het beter doen. Voor Gülen staat goed onderwijs echter niet op zich, want de hoger opgeleide elite die daar het resultaat van is vormt de basis van zijn streven naar macht en invloed. Erdogan haalde aldus een machtsfactor binnen de staat die uiteindelijk zijn grootste vijand zou worden.

De AKP kon het betere onderwijs op de Gülenscholen niet de loef afsteken. Het onderwijs veranderde weliswaar onder Erdogans partij, maar die verandering bracht geen verbetering. In 2012 werd een wet ingevoerd die de leerplicht uitbreidde van acht tot twaalf jaar. Leek een stap in de goede richting, maar er zat een addertje onder het gras met de clausule dat kinderen na vier jaar school ook thuis onderwijs mochten volgen. Volgens critici werkt dit kinderarbeid en gedwongen huwelijken van jonge meisjes in de hand. De nieuwe onderwijswet was vooral een handreiking aan de conservatieve gemeenschap in de provincie, waar onderwijs voor meisjes geen hoge prioriteit heeft en zij vaak thuis worden gehouden.

Juist vanwege dat laatste valt op dat de conservatieve elite haar dochters wel laat studeren. Zo volgde Erdogans dochter een studie aan een Amerikaanse universiteit. Volgens de premier omdat ze daar een hoofddoek kon dragen, toen dat in Turkije nog niet mocht. De betere kwaliteit van de Amerikaanse universiteiten zal daarbij zeker als bijkomend voordeel zijn ervaren. Vast staat dat veel welgestelde Turken hun kinderen om die reden naar de VS sturen.

De nieuwe onderwijswet bood meer ruimte voor religie, met extra lessen over de islam. Daarmee werd teruggekeerd naar de situatie van voor 1997, het jaar waarin de militairen de islamistische premier Erbakan tot ontslag dwongen en een campagne begonnen om religieuze invloed uit de samenleving – en daarmee het onderwijs – te weren.

Met een verbetering van de economische omstandigheden van de Anatolische massa had de nieuwe onderwijswet in ieder geval niets te maken. Naar de sociale mentaliteit achter de dorpsinstituten van de kemalisten is het dan ook vergeefs zoeken. Hoeveel verder was Turkije nu geweest als in de jaren vijftig geen einde aan dit initiatief was gekomen? Het zou te eenvoudig zijn om alleen de AKP en haar islamistisch neoliberale voorgangers te verwijten dat het anders liep. Zoals eerder aangegeven verloor ook het kemalistische blok de ontwikkeling van de dorpen uit het oog.

De elitaire CHP

De door Atatürk opgerichte CHP mag zich dan links noemen, maar werd vooral een partij voor de middenklasse en de economische elite. Daardoor is de partij niet meer in staat de lager gesitueerde groepen te bereiken, wat tot uiting kwam bij de lokale verkiezingen op 30 maart. De rechtse AKP slaagt er wel in dat bevolkingsdeel voor zich te winnen, al is het dan meer met nationalistische en religieuze retoriek dan door een realistische vooruitgang in sociaal economische zin.

Wil de CHP hier iets tegenover plaatsen dan zal zij terug moeten keren naar de mentaliteit van sociale eenheid en solidariteit die tot 1950 uitging van de dorpsinstituten. Dit valt moeilijk vanuit de oppositiebanken te bewerkstelligen, maar nog belangrijker is dat de wil lijkt te ontbreken.

Zoals eerder aangegeven maakte de aanvankelijk sociale mentaliteit van de CHP sinds de jaren vijftig geleidelijk aan plaats voor een laatdunkende blik naar de bevolking in de provincie. Premier Bülent Ecevit probeerde de CHP begin jaren zeventig een meer socialistisch gezicht te geven, maar voor zover hij daarbij meer aandacht aan de dorpen wilde schenken, kwam hij daar niet aan toe door de invasie van Cyprus in 1974.

Sindsdien is de CHP alleen maar verder gegaan in de richting van een partij voor de elite. Een mentaliteitsprobleem is het gevolg. Dat de AKP-stemmers in Anatolië door de CHP-achterban beschouwd worden als ‘schapen’ mag gezien hun volgzame karakter richting Erdogan misschien dan verklaarbaar zijn, maar constructief is het verre van. De verkiezingsuitslag op 30 maart bevestigde dat dergelijke zwaktes van de CHP de kracht van de AKP zijn. Het was dan ook niet zo zeer de AKP die won, als wel de CHP die verloor.

Peter Edel is schrijver van De diepte van de Bosporus, een politieke biografie van Turkije (Uitgeverij EPO, Antwerpen, 2012).
 
Volg Peter Edel ook op Twitter.

Reacties

Nog geen reacties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Facebook

Twitter

Archief

%d bloggers op de volgende wijze: