Nieuws

Irak stap dichter bij desintegratie


ISISopmars

Artikel door Paul Vanden Bavière in Uitpers van 15 juni 2014

UITPERS – 15 juni 2014 – De opmars van de Islamitische staat in Irak en Syrië (ISIS), een extreem fundamentalistische soennitische groep, in Irak en de kans die de Koerden daarin zagen om zich meester te maken van de betwiste oliestad Kirkoek, brengen Irak een stap dichter bij de desintegratie. Het lijkt dat die er zal komen door een op zijn minst feitelijke opdeling van het land in drie delen, een opdeling die al vanaf 1991, na de eerste westerse oorlog tegen Irak, werd gepropageerd om Irak als regionale macht te liquideren.

Dat die opdeling nog altijd een optie van het Westen is blijkt uit het feit dat de NAVO, die niet aarzelde om ver weg in Afghanistan te gaan vechten tegen Al Qaeda en de Taliban, bij monde van de nochtans oorlogszuchtige secretaris-generaal Fogh Rasmussen liet weten geen “rol voor de NAVO te zien in Irak”. Zonder fiat van Washington zou hij dat niet gedaan hebben, ook al verklaarde president Barack Obama “alle opties” op te houden. Het ziet er niet naar uit dat hij die “opties” snel zal lichten – tenzij om de desintegratie op het terrein te verzekeren. Ook Londen en Parijs, die in Libië en Syrië tot de voornaamste voorstanders van interventie, ook met de wapens, behoorden, verklaarden dat ze niet militair willen optreden.

Het ziet er naar uit dat chaos en desintegratie, in geval een land niet onder controle van het Westen kan worden gebracht (zie bv. wat er met Joegoslavië is gebeurd), nog altijd als een valabel alternatief wordt gezien. Ook kunnen de Verenigde Staten kunnen zich geen nieuwe oorlog meer veroorloven in een islamitisch land na een reeks kostbare fiasco’s. Zoals in Somalië, Afghanistan, Irak, Libië en Syrië.

Van Somalië tot Syrië

President George Bush sr. liet Amerikaanse soldaten landen in Somalië begin 1993 om tussen te komen in een burgeroorlog. Al in oktober van datzelfde jaar haalde zijn opvolger Bill Clinton ze overhaast terug omdat de Somaliërs al te fel weerstand boden tegen de interventie. De poging om het trauma van de Vietnamese oorlog (vanaf 1954, maar massaal vanaf 1964, tot 1974) te overwinnen mislukte jammerlijk. Inmiddels hebben twee regio’s, Somaliland en Puntland, zich afgescheiden van Somalië en vecht de regering in Mogadishu nu al jaren tegen de islamistisch beweging Al-Shabab (De Jeugd).

Afghanistan werd binnengevallen na de aanslagen door Al Qaeda (De Basis) op de twin towers in New York op 11 september 2001 omdat het regime van de islamistische Taliban, eerder gesteund en bewapend door de VS, weigerde de beweging Al-Qaeda van Osama bin Laden het land uit te zetten. Het regime uitschakelen gebeurde vrij vlot, maar het land is nog altijd niet gepacificeerd. Tegen eind dit jaar zouden de laatste Amerikanen het land hebben moeten verlaten, maar de toekomst ziet er zo somber uit dat Washington overweegt er toch nog 10.000 soldaten te houden.

In 2002 besloot de Amerikaanse president George Bush jr., met steun van de Britse premier Tony “poedel” Blair – poedel omdat hij steeds handelde als de schoothond van Bush – Irak binnen te vallen onder voorwendsel de – niet bestaande – “massavernietigingswapens” van president Saddam Hoessein uit te schakelen. In feite had de invasie plaats in het kader van Bush’ plan voor een “Groot Midden-Oosten”, waaronder het Midden-Oosten opnieuw onder westerse controle moest worden gebracht, o.a. omwille van de olie. In 2003 werd het plan uitgevoerd, maar zoals in Somalië en Afghanistan lokte de invasie fel verzet uit, zo fel dat Barack Obama het in 2011 beter oordeelde om al zijn soldaten weg te halen uit het land.

Na die derde mislukte directe interventie hadden de VS er genoeg van. Toen het Westen, in 2011, oordeelde dat de Libische leider Muammar Kadhafi, die werd verzwakt door de inmiddels uitgebroken “Arabische lente”, moest worden geliquideerd, hielden ze zich zoveel mogelijk op de achtergrond. Ze lieten het initiatief over aan de Europese bondgenoten, die al snel hun aanvallen onder paraplu van de NAVO coördineerden. Het resultaat: het land is een grote chaos geworden en het islamisme is er sterk in opmars.

In Syrië, waar vreedzaam protest tegen het regime van president Bachar al-Assad, in het kader van de Arabische lente, in 2011 al snel tot een gewapend conflict escaleerde, is geen enkel westers land openlijk en formeel militair tussenbeide gekomen. Maar het is geen geheim dat er vooral via Turkije en Jordanië westerse wapens, ook Israëlische, worden geleverd aan de opstandelingen. Daarnaast zijn er door het Westen gecontroleerde opleidingskampen in Turkije en Jordanië. Maar de westerse aanmoediging van moslims in de hele wereld om in Syrië te gaan vechten tegen het regime, heeft zo zijn ongewenste neveneffecten. In Brussel hebben ze het ondervonden door een aanslag op het joods museum, waarbij vier doden vielen, door (zeer vermoedelijk) een Frans-Algerijnse oud-strijder uit Syrië. Niettemin mogen Islamisten er nog altijd gaan vechten: noch Turkije noch Jordanië, twee westerse bondgenoten, werden gesommeerd hun grenzen te sluiten voor jihadisten en voor wapenleveringen. Kwestie van ervoor te zorgen dat de oorlog in Syrië kan doorgaan. Een mooi voorbeeld van het scheppen van chaos als alternatief voor de mislukking van de poging Damascus in het westerse kamp te krijgen via een regimewissel.

Van Ottomaans bestuur tot Irak

In Syrië is het scheppen van chaos het gevolg van een mislukking, maar in Irak werd die politiek al veel vroeger gevoerd. De basis ervoor was al aanwezig van bij de vorming van de staat door de Britten. Die maakten in 1919 de door hen in 1916-1917, tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) veroverde Ottomaanse provincies Mosoel, Bagdad en Basra formeel los van het Ottomaanse rijk. Voordien was het land, sedert 1534, een deel van het Ottomaanse rijk, met Bagdad als bestuurszetel. Van 1704 tot 1831 regeerden er mamlukken, Ottomaanse soldaten gerekruteerd uit tot de islam bekeerde christenen, in dit geval Georgische christenen. Vanaf 1831, ten gevolge van hervormingen in het Ottomaanse rijk, was het ingedeeld in drie provincies: Mosoel, Bagdad en Basra. Eeuwen lang was het Ottomaanse bestuur vrij los. De Koerden werden ingeschakeld in de verdediging van het Ottomaanse tegen het Perzische Rijk, waarmee talrijke oorlogen werden gevoerd, en genoten daarom een grote autonomie. Ze vormden een aantal bijna onafhankelijke staatjes, die in de 19de eeuw een voor een werden opgedoekt toen de regering in Istanboel, in een poging tot herstel van de macht van het Ottomaanse Rijk, besloot zelf de macht uit te oefenen. Dat leidde tot enkele opstanden van de Koerden. Op religieus vlak was er geen probleem tussen Koerden en Ottomanen. Beiden waren en zijn in grote mate soennitische moslims. De Ottomaanse sultan was tevens ook kalief, opvolger van de profeet Mohammed, en dus leider en verdediger van de soennieten. Vele Koerden respecteerden dan ook de sultan als hun geestelijke leider. In 1924 schafte de stichter van de staat Turkije, generaal Mustafa Kemal Ataturk, formeel het kalifaat af na eerder, in 1922, een einde te hebben gemaakt aan het sultanaat. Maar vandaag kijken vele religieuze Koerden in Irak nog altijd op naar Turkije als verdediger van de soennieten. Dit is gevoel nog sterker geworden sedert de islamist Recep Tayyip Erdogan, die uitgesproken Ottomaanse ambities heeft, in Turkije aan de macht is.

Als beschermer van de soennieten zorgden de sultans ervoor dat het bestuur van hun provincies die nu Irak vormen, in handen bleef van soennieten. Vooral van soennitische Arabieren, die ook, in tegenstelling tot de soennitische Koerden, meer open stonden voor cultuur en wetenschappen. De soennieten, die de meeste administratieve en ook militaire functies in handen hadden, waren over het algemeen dan ook best tevreden met het Ottomaans bewind. De sjiieten, de derde component van Irak, hielden zich als dikwijls vervolgde en misprezen groep eeuwen lang ver af van samenwerking met een soennitisch bestuur, waardoor ze overigens verwaarloosd werden.

De hele situatie veranderde met de Britse bezetting. De sjiieten zagen een kans het soennitische juk af te schudden en wilden in hun gebied een sjiitische staat oprichten. Ook de Koerden wilden een eigen staat. Ze kwamen dus in opstand tegen de Britten, toen die niet op ingingen op die eisen. De opstanden werden, ook met gebruik van gifgas en bombardementen op burgerdoelen, door de Britten neergeslagen.

Van monarchie tot revolutie

Er werd dus een sterk verdeeld unitair land gevormd. De Britten besloten er, onder hun controle, een monarchie van te maken. Omdat geen enkele van de drie bevolkingsgroepen het zou nemen dat iemand uit een andere groep koning zou worden, zetten de Britten een buitenlander op de troon: Feisal, de zoon van sharif Hoessein van Mekka, in de Hedjaz (nu een deel van Saudi-Arabië), op de troon. Het was een troostprijs voor het Britse verraad aan de sharif, aan wie een Arabische eenheidsstaat, bestaande uit de Arabische gebieden onder Ottomaanse controle, was beloofd in ruil voor een opstand tegen de sultan in Istanboel. Een troostprijs ook voor prins Feisal, die samen met de Britten (denk aan Lawrence of Arabia), de opstand militair leidde. (Een tweede zoon, Abdallah, werd met de titel emir naar Transjordanië gestuurd om daar de roerige bedoeïenenstammen te pacificeren voor de Britten. In 1946 werd hij koning en later werd de naam van het land veranderd in Jordanië toen Abdallah de Palestijnse Westelijke Jordaanoever had geannexeerd).

De Britten namen ook de Arabisch-soennitische ambtenaren, overigens bijna de enige die er waren, van het Ottomaanse bestuur over. En aangezien koning Feisal ook een soenniet was, kwam Irak onder controle van de soennieten, die geleidelijk aan een minderheid gingen vormen in Irak – nu wordt het aantal sjiieten op zeker 55 % geschat. Die toestand bleef bestaan tot de val van Saddam Hoessein ten gevolge van de Amerikaanse invasie in 2003.

Soennitisch-Arabische militairen maakten in 1958 in een bloedige staatsgreep een einde aan de monarchie. Omdat die militairen sterk nationalistisch geïnspireerd waren, werden ze door het Westen als communisten beschouwd, die het leven moest worden lastig gemaakt.

Van Koerden tot sjiieten

Daarvoor werden de andere groepen ingeschakeld. De Koerden werden vanaf 1958 systematisch aangespoord in opstand te komen, wat ze mits royale financiële steun voor hun leiders, ook deden. De legendarische leider Moestafa Barzani mocht na de revolutie uit ballingschap in de Sovjetunie terugkeren, maar dat was een zware vergissing van de nationalistische militairen. Hij ontketende de ene opstand na de andere. Op aandringen van de Amerikanen verwierp hij uiteindelijk in 1971 zelfs een plan, aangeboden door Saddam Hoessein, toen nog vice-president, voor Koerdische autonomie omdat dat “te weinig” was. In 1975 werden de Koerden verslagen toen Iran zijn steun aan hen stopzette in ruil voor concessies in de Sjatt-al-Arab, de grensrivier tussen de twee landen gevormd door de samenvloeiing van Eufraat en Tigris. Barzani ging in ballingschap bij zijn vrienden in de Verenigde Staten.

Maar daarmee was de kous niet af. Toen Saddam Hoessein in 1980 een oorlog begon tegen het kersverse islamitische bewind van ayatollah Khomeini in Iran, die tot 1988, zou duren, werden de Koerden weer ingeschakeld, ditmaal door de Iraniërs. Ze kregen er echter nogmaals het deksel voor op de neus toen de oorlog eindigde in 1988. Maar veel hadden ze niet uit het verhaal geleerd, want ze gingen in op de oproep van de Amerikaanse president Bush begin 1991 om in opstand te komen tegen Saddam Hoessein toen die verslagen was in de oorlog van westerse geallieerden voor de bevrijding van het in de zomer van 1990 door Irak bezette emiraat Koeweit. Bagdad wist al snel de opstand neer te slaan, wat leidde tot de vlucht van honderdduizenden richting Turkije en Iran. In Turkije mochten de Koerden niet binnen en, vermoedelijk uit eerlijke schaamte, zorgden de geallieerden dat er een veilige zone voor hen in Noord-Irak werd uitgeroepen. Meteen was de basis gelegd voor een autonoom Iraaks Koerdistan, dat er formeel kwam na de Amerikaanse invasie van 2003.

Na de revolutie van 1958 spraken Amerikanen en Britten ook de Iraakse sjiieten aan om weerwerk te bieden tegen de soennitische militairen. De Iraakse sjiieten zaten toen in een diep dal, organisatorisch, moreel en politiek. Vele sjiieten hadden zich van hun weinig bekwame leiders afgekeerd en zochten hun heil bij seculiere en niet-sektarische partijen, zoals de communistische partij en de Baath-partij. Moeizaam werden nieuwe structuren opgebouwd om de sjiieten een betere omkadering door bekwamere geestelijke leiders te geven. Dit streven werd sterk bevorderd door de Arabische nederlaag in de zesdaagse oorlog van 1967, die Israël tegen zijn buren ontketende om heel Palestina in handen te krijgen. Een nederlaag die de onmacht van het Arabische socialistische nationalisme aantoonde en in de hele Arabische wereld de mensen terug naar de moskeeën bracht.

Ook de Iraakse sjiieten deelden in de klappen toen ze in 1991, zoals de Koerden, in opstand kwamen. Als meerderheid van de bevolking was het logisch dat ze na de Amerikaanse invasie van 2003, na een overgangsperiode, aan de macht zouden komen. En dat is ook zo gebeurd.

Van strijd met Koerden en soennieten

De problemen zijn echter gebleven. In de grondwet was overeengekomen dat er een referendum zou worden georganiseerd om de grenzen van de Koerdische autonome regio af te bakenen. Met name de stad en provincie Kirkoek is één van de betwiste gebieden, belangrijk vooral omwille van zijn oliebronnen. Het referendum heeft daarom nog altijd niet plaats gehad. De huidige premier Nuri al-Maliki ligt dan ook al jaar en dag in ruzie met de Koerden. Begin dit jaar was er een belangrijk escalatie toen Iraaks Koerdistan, zonder voorafgaand akkoord met de regering in Bagdad, begon met de export van olie voor eigen rekening.

Met de soennitisch-Arabische minderheid, zowat 25 % van de bevolking, heeft hij al jaren grote problemen. Vooral de voorbije twee jaar is de toestand geëscaleerd. De soennieten hadden, nog voor ISIS zijn opmars begon, al stukken van het oosten van het land in handen. Onder meer de stad Fallujah. Begin dit jaar probeerde Maliki die te veroveren, maar dat liep slecht af.

Dat de verhoudingen met de soennieten echt belabberd zijn, heeft Maliki voor een groot deel aan zichzelf te wijten. De Amerikaanse proconsul Paul Bremen heeft tijdens zijn bestuursperiode beslissingen met zware gevolgen getroffen: de ontbinding van het Iraakse leger en de uitsluiting van ex-Baath-leden uit de meeste overheidsfuncties. Het waren maatregelen die tot ontwrichting van de Iraakse staat hebben geleid. Vooral de soennitische Arabieren werden er door getroffen. Die gingen dan ook massaal in het verzet tegen de Amerikaanse bezetters, een verzet dat pas afnam toen de Amerikanen hen in dienst namen om Al Qaeda te bestrijden. Bovendien kregen ze de belofte dat ze terug in het Iraakse leger zouden worden ingelijfd. Daarvan is weinig of niets in huis genomen. Maliki is integendeel op een uiterst sektarische manier tewerk gegaan en doet dat nog steeds. De weinige hogere soennitische officieren in het leger werden uitgerangeerd en vervangen door onbekwame sjiieten. Idem dito in de administratie. Bovendien werd er een harde repressie gevoerd tegen alle soennieten door de geheime diensten en het leger van Maliki. De kloof is zo groot geworden dat ISIS de samenwerking van vele soennieten kreeg voor een offensief. Daarom ziet het er naar uit dat Irak dan uiteindelijk toch in drie stukken zal worden verdeeld: een Koerdische staat, die er de facto al is, een sjiitische en een soennitische staat. De kans dat ISIS verder kan doorstoten naar Koerdistan en naar Bagdad is vrij klein. De door de groep buitgemaakte Iraakse wapens worden volgens waarnemers naar Syrië overgebracht. Teheran kan niet aanvaarden dat de soennitische omsingeling van Iran verder gaat en heeft al hulp aangeboden om de ISIS-opmars te helpen stuiten. Een opmars waarvoor ISIS veel te weinig manschappen heeft – hun aantal wordt maar op 8.000 tot 9.000 geschat. Niet genoeg om Bagdad met een paar miljoen sjiitische inwoners en milities zoals het Leger van de Mahdi van Moqtada al-Sadr en de Badr-brigades van de Hoge Raad voor de Islamitische Revolutie in Irak klein te krijgen. De kans dat Maliki de Koerden en de andere sjiitische fracties achter zich kan krijgen is vrijwel onbestaande. Bij de recente parlementsverkiezingen van eind april won hij er wel enkele zetels bij, maar veel te weinig om alleen een regering te kunnen vormen. Zowel de Koerden als andere sjiitische leiders hebben al gezegd dat hij geen derde ambtstermijn mag krijgen, een standpunt waar, naar verluidt, ook de hoogste sjitische leider, Ali al-Sistani zich zou hebben bij aangesloten. Totnogtoe hielden de Amerikanen Maliki de hand boven het hoofd. De vraag is of zij dat zullen blijven doen en hem zullen helpen het soennitische landsdeel te heroveren, wat ze (voorlopig?) afwijzen. Een driedeling van het land ziet er te aanlokkelijk uit, gezien de problemen die één Irak meebrengt.

Paul Vanden Bavière.

Reacties

Nog geen reacties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Facebook

Twitter

Archief

%d bloggers op de volgende wijze: