Nieuws

Palestina: Opgroeien tussen Israëlische kolonies en soldaten


Artikel door Delphine G3W van 30 juni 2014 op Intal.be

INTAL.BE – 30 juni 2014 – In juni publiceerde Defence for Children International Palestine, een kinderrechtenorganisatie waar onze partner Health Work Committees nauw mee samenwerkt, een rapport over wat het betekent voor Palestijnse kinderen om op te groeien tussen Israëlische kolonies en soldaten. Bij het uitbrengen van het rapport publiceerden ze een reeks artikels met getuigenissen. Dit is de vertaling van het eerste artikel.

Het is 14 november 2013, 2u in de ochtend, Ruwaida Dar Khalil warmt een fles melk op voor haar zoontje wanneer ze opeens piepende autobanden hoort, net voor haar huis in Sinjil op de Westelijke Jordaanoever. Ze negeert het lawaai – het zijn waarschijnlijk weer uitbundige tieners in hun auto’s – en gaat verder met het voeden van haar zoon. Maar dan hoort ze plots dat haar voordeur ingetrapt wordt…

Vier Israëlische kolonisten breken het kleine huis binnen waarin Ruwaida woont met haar man en vijf kinderen. De mannen breken de ramen met koevoeten. Ze gieten benzine in de hal en steken die daarna in brand.

“De brand brak heel snel uit en verspreidde zich meteen” , vertelt Ruwaida aan Defence for Children International Palestine. De keuken vulde zich met rook, Ruwaida had meteen door dat ze haar familie snel het huis uit moest krijgen. “Ik maakte mijn man en kinderen wakker, ze waren zo bang… ze huilden” vertelt Ruwaida.

Omdat de enige uitgang in lichterlaaie stond, hadden Ruwaida en haar man, Khaled, geen enkele andere keuze dan zich te verstoppen op het dak totdat de hulpdiensten ter plaatse kwamen. Khaled en Ruwaida hadden ooit de Verenigde Staten verlaten om terug te keren naar de Westelijke Jordaanoever in de hoop dat hun kinderen konden opgroeien in hun thuisland. Ze hadden nooit verwacht dat hun huis het doelwit zou worden van aanvallen door kolonisten.

Sinjil, het dorp waar ze nu wonen met hun drie dochters en twee zonen, bevindt zich ten noordoosten van Ramallah. Het is langs drie kanten omringd door een Israëlisch militair kamp en twee kolonies. Soldaten zijn een vertrouwd gezicht in de buurt en Ruwaida kan maar moeilijk begrijpen waarom zij niet ter hulp kwamen tijdens de nacht van de aanval.

“Die nacht stonden er Israëlische politiemannen op de hoek van de straat. Soldaten komen hier gewoonlijk ook elke nacht voorbij”, zegt ze. “Maar toen ons huis in brand stond, kwam niemand. Niemand gaf om ons. Waarom kwam niemand onze onschuldige kinderen beschermen?”

Toen de Palestijnse brandweer eindelijk aankwam en het vuur had gedoofd, was het dak gedeeltelijk ingestort. De vijf kinderen werden behandeld voor de rook die ze hadden ingeademend door de brand. De volgende dag zag Khaled de woorden “Groeten van Eden, wraak!” op een buitenmuur van het huis gespoten. De boodschap verwijst naar Eden Attias, een Israëlisch soldaat die de dag ervoor werd neergestoken op een bus in Noord-Israël door een Palestijnse tiener. De Israëlische krant ‘Haaretz’ berichtte dat de brandstichting wellicht een wraakactie was voor zijn moord.

Dit soort van daden van geweld, zoals de aanval op de familie Dar Khalil, worden ‘price-tag’-aanvallen genoemd. De laatste jaren komen deze aanvallen steeds meer voor. Tussen 2009 en 2011 steeg het aantal ‘price-tag’-aanvallen met 144 procent, volgens het VN bureau voor coördinatie van humanitaire zaken (UNOCHA).

‘Price-tag’-aanvallen worden uitgevoerd door fundamentalistische Israëlische kolonisten en zijn gericht naar Palestijnen (of andere bevolkingsgroepen of organisaties die de kolonisering in de weg staan). Deze kolonisten willen wraak nemen voor elke actie tegen de kolonisering van de Westelijke Jordaanoever. Zelfs als die acties uitgaan van de Israëlische overheid of Israëlische ordetroepen, bijvoorbeeld wanneer die het bevel geven om kolonies te slopen waarvoor ze geen toelating gegeven hebben. De Israëlische overheid heeft dit soort ‘price-tag’-aanvallen reeds veroordeeld.

Ruwaida’s kinderen ondervinden nog elke dag de gevolgen van de brutale aanval. Ze weigerden met DCI-Palestine te spreken over de aanval, maar Khaled en Ruwaida beschreven een aantal van hun problemen.

De drie jaar oude Nisreen leidt aan ademhalingsproblemen, die begonnen na de aanval. “Ze ademt voortdurend zwaar”, zegt Khaled. “De dokter zei ons dat ze misschien een operatie nodig heeft.” Eman, 7 jaar, heeft slaapproblemen en weigert om alleen naar het toilet te gaan. “Ze weigert zelfs een slokje water te drinken, zonder dat ik naast haar sta als een bewaker,” zegt Ruwaida. “Ze zegt, ‘Neen! Neen! Neen! De kolonisten zijn hier.’ Ze wordt huilend wakker en denkt dat de ze buiten kolonisten hoort.

Toenemend aantal kolonies

Sinds de bezetting van de Westelijke Jordaanoever in 1967, zijn er zo’n 125 kolonies opgericht. De Israëlische mensenrechtengroepering  B’Tselem schat dat er ongeveer 515.000 Israëli’s in deze kolonies wonen. De kolonies zijn enkel toegankelijk voor joden en zijn verspreid over de Westelijke Jordaanoever en ook in Oost-Jeruzalem. Vaak delen ze steden, dorpen en vluchtelingenkampen op.

Het internationaal recht is duidelijk, deze kolonies zijn illegaal. Toch claimt Israël een religieus en historisch recht op het gebied. Israël betwist dat de vierde conventie van Genève van toepassing is op de Westelijke Jordaanoever. Deze conventie stelt dat een bezettende macht zijn burgers niet mag overbrengen naar de bezette gebieden.

Ondertussen blijven de kolonies echter groeien. In 2013 nam de Israëlische bouwwoede enorm toe in de Westelijke Jordaanoever, ook in Oost-Jeruzalem. Het Israëlisch bureau voor statistiek geeft aan dat in er in 2013 een stijging van 130% opgetekend werd, in vergelijking met het jaar voordien. Israëlische soldaten, politie en privé-bewakers, die verspreid over de Westelijke Jordaanoever gestationeerd zijn, beschermen de kolonisten.

In tegenstelling tot de Israëlische burgers die aan de andere kant van de Groene Lijn [1] wonen, dragen vele van deze kolonisten wapens die door de overheid werden uitgereikt. Volgens de Israëlische krant Haaretz werden tot 2011, wanneer de Palestijnse Autoriteit lid werd van de VN, vele kolonisten op de Westelijke Jordaanoever bewapend en getraind door de Israëlische overheid. In deze gemilitariseerde omgeving ondervinden Palestijnse kinderen veel fysiek en psychologisch geweld.

Opgroeien onder bezetting

Inwoners van Hebron, de dichtstbevolkte Palestijnse stad in de Westelijke Jordaanoever, klagen over dagelijkse intimidatie door zowel Israëlische soldaten als kolonisten. Tussen januari 2012 en juli 2013 werden volgens het UNOCHA 700 Palestijnen gewond door aanvallen van Israëlische soldaten of kolonisten in de stad.

Het stadscenter van Hebron, waar zich de historische oude stad, de oude markt en de Ibrahimi moskee bevinden, vallen onder volledige Israëlische militaire en burgerlijke controle. Dit werd overeengekomen in 1997 tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit. In dat jaar werd de stad onderverdeeld in twee delen: H1, onder Palestijnse controle en H2, onder Israëlische militaire controle. In de oude stad zijn momenteel permanent 3000 Israëlische soldaten en 600 kolonisten in 4 kolonies gevestigd. Duizenden Palestijnse winkels werden gesloten en ze moesten hun huizen verlaten. 

De familie Abu Shamsiya woont in een bescheiden huisje in het hart van het gebied H2. Imad, zijn vrouw Faiza en hun drie zonen en twee dochters zijn regelmatig het slachtoffer van geweld van zowel de kolonisten als van het leger.
“Iedereen in dit huis is al eens aangevallen geweest”, vertelt Imad, 40, aan DCI-Palestine [2]. Imads 9 jaar oude dochter Marwa en 12-jarige zoon Mohammed, werden allebei slachtoffer van ernstige aanvallen.

In 2011 werd de toen zevenjarige Marwa gekidnapt door een groep kolonisten toen ze onderweg was van school naar huis. Ze hielden haar vast en staken haar haar in brand. Een Israëlische soldaat kwam snel tussenbeide en doofde het vuur, maar het duurde meer dan een jaar tot Marwa opnieuw de hele nacht kon doorslapen zonder ’s nachts schreeuwend wakker te worden.

In oktober 2013 was Mohammed onderweg naar de winkel om brood te halen voor zijn moeder toen hij werd tegengehouden door een Israëlische soldaat. Mohammed vertelde aan DCI-Palestine dat de soldaat hem vroeg of hij recent stenen had gegooid, vervolgens sloeg de soldaat Mohammed twee keer in het gezicht en bedreigde hem met de dood. “Ik vertelde het aan mijn moeder”, zei Mohammed. “Toen mijn moeder aan de soldaat ging vragen waarom hij mij had geslagen, duwde hij haar tegen de muur. Toen mijn vader de soldaat later sprak, antwoordde hij dat hij mij had geslagen omdat hij daar zin in had.” Mohammed benadrukt dat hij het “geweld intussen gewoon is”, maar zijn moeder, Faiza, vertelde aan DCI-Palestine dat al haar kinderen ’s nachts bang zijn.

Noot:

[1] DCI (Defence for Children International Palestine)

[2] Dit is de grens tussen Israël en de Westelijke Jordaanoever van vóór 1967

 

Dit artikel werd gepubliceerd door DCI-Palestine en is een onderdeel van een driedelige serie gebaseerd op een rapport van DCI–Palestine, dat de verwoestende impact op Palestijnse kinderen in de nabijheid van Israëlische kolonies onderzoekt. Lees het DCI-rapport hier.

 

Reacties

Nog geen reacties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Facebook

Twitter

Archief

%d bloggers op de volgende wijze: